Uitspraak
mr. P. van der Pols. Ter zitting zijn tevens verschenen twee door appellante meegebrachte getuigen: [getuige 1], wonende te [woonplaats 1], broer van appellante (broer) en
[getuige 2], wonende te [woonplaats 2].
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand van 2002 tot 2010. Na onderzoek naar niet gemelde bankrekeningen en kasstortingen besloot het college de bijstand over diverse maanden in te trekken en de kosten terug te vorderen. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak.
De Raad stelt vast dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden door kasstortingen niet te melden en de herkomst niet aannemelijk te maken. Echter, de kasstortingen moeten als inkomen worden beschouwd, waardoor het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld. Het college heeft ten onrechte het recht op bijstand niet vastgesteld.
De Raad beveelt het college een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak en het verzoek tot vergoeding van kosten te behandelen. Het college is bevoegd de bijstand te herzien en terug te vorderen, met uitzondering van een storting bestemd voor een derde. De Raad veroordeelt het college in de proceskosten en vergoedt het griffierecht aan appellante.
Uitkomst: De aangevallen uitspraak en besluiten worden vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.