ECLI:NL:CRVB:2013:2878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering leenbijstand wegens verwijtbaar niet behalen VCA-certificaat
Appellant trad op 28 juni 2010 in dienst op basis van een jaarcontract met de verplichting om binnen zes maanden het VCA-certificaat te behalen. Bij het niet behalen van dit certificaat zou het contract worden ontbonden. Appellanten ontvingen bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor de aanschaf van een auto, met de voorwaarde dat bij verwijtbaar ontslag binnen het contractjaar het bedrag zou worden teruggevorderd.
Het dagelijks bestuur besloot de leenbijstand terug te vorderen omdat appellant het VCA-certificaat niet binnen de gestelde termijn behaalde en daardoor zijn baan verloor. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond. Appellanten voerden aan dat het ontslag niet verwijtbaar was en dat de wijziging van de grondslag van terugvordering onterecht was.
De Raad oordeelt dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het directe gevolg is van het niet tijdig behalen van het certificaat en dat dit verwijtbaar is aan appellant. De omstandigheid dat appellant wegens ziekte het herexamen niet kon afleggen leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat de werkgever zes maanden gelegenheid bood. Ook het feit dat appellant na beëindiging een WW-uitkering ontving, leidt niet tot het oordeel dat het ontslag niet verwijtbaar is.
Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van de leenbijstand. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De terugvordering van de leenbijstand wordt bevestigd omdat appellant verwijtbaar niet tijdig het VCA-certificaat behaalde.