ECLI:NL:CRVB:2013:2904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.G.M. Simons
- H.C.P. Venema
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Compensatie reistijd als werktijd voor VWA-medewerkers en gelijkheidsbeginsel
Betrokkene was werkzaam bij de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV) en later bij de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA). Voor de fusie van deze diensten golden verschillende regelingen voor compensatie van reistijd. Na de fusie ontstond een praktijk waarbij reistijd volledig als werktijd werd aangemerkt, maar vanaf 2007 werd een regeling ingevoerd waarbij een deel van de reistijd niet als werktijd werd beschouwd. Dit leidde tot bezwaar en beroep door meerdere medewerkers, waaronder betrokkene.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat er sprake was van ongelijke behandeling van verschillende groepen medewerkers binnen de VWA zonder rechtvaardiging. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de besluiten van 2007 en 2008 beleidsregels zijn en niet onaantastbaar in rechte. De Raad volgt appellant niet in het standpunt dat het onderscheid gerechtvaardigd is en wijst het argument af dat de gunstiger regeling voor nieuwe medewerkers een fout is die niet herhaald kan worden.
De Raad past de vaste rechtspraak inzake duuraanspraken toe en bepaalt dat compensatie alleen moet worden verleend vanaf 1 juli 2010, de datum van het verzoek. De eerdere besluiten tot compensatie in verlofuren worden vernietigd. Verder oordeelt de Raad dat betrokkene aanspraak kan maken op overwerkvergoeding en toelage onregelmatige dienst, maar niet op ploegentoeslag. Appellant moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitgangspunten.
Uitkomst: De Raad vernietigt eerdere besluiten en beveelt een nieuwe beslissing op bezwaar waarbij reistijdcompensatie vanaf 1 juli 2010 moet worden toegekend met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel.