Appellant ontving een WW-uitkering die vanaf 31 oktober 2011 met 25% werd gekort wegens het niet nakomen van de sollicitatieplicht zoals vastgelegd in het werkplan. Het UWV stelde dat appellant in de periode van 29 september tot 5 december 2011 onvoldoende had gesolliciteerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel had gesolliciteerd en overlegde verklaringen ter onderbouwing.
De Raad oordeelde dat de verklaringen onvoldoende concreet en verifieerbaar waren en bevestigde dat appellant niet voldeed aan de verplichting om wekelijks te solliciteren. Wel stelde de Raad vast dat het besluit berustte op een onjuiste wettelijke grondslag vanwege een kennelijke misslag in de verwijzing naar de Wet SUWI. Daarom werd het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De Raad volgde hiermee het standpunt dat de maatregel passend was en dat geen aanleiding bestond tot matiging van de korting. De uitspraak benadrukt het belang van correcte wettelijke grondslagen bij het opleggen van sancties in het kader van de WW.