Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat appellant aan betrokkene de proceskosten ten bedrage van € 944,- vergoedt;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht ten bedrage van € 466,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, woonachtig in Marokko, verzocht om een nabestaanden- en halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot. Deze uitkeringen werden geweigerd omdat de echtgenoot volgens appellant geen ingezetene van Nederland was op het moment van overlijden.
De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat de echtgenoot ondanks zijn langdurig verblijf in Marokko een duurzame persoonlijke band met Nederland behield, mede doordat hij jaarlijks minstens drie maanden in Nederland verbleef, een kamer bij zijn zoon had en familie in Nederland woonde.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling bevestigd. De Raad overwoog dat het begrip ingezetenschap wordt bepaald aan de hand van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, waarbij ook de Nederlandse nationaliteit en langdurige aanwezigheid in Nederland een rol spelen. De Raad concludeerde dat de echtgenoot op het moment van overlijden ook ingezetene van Nederland was, zodat de weigering van de uitkeringen onterecht was.
De Raad veroordeelde appellant tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de echtgenoot ten tijde van zijn overlijden ook ingezetene van Nederland was en derhalve recht gaf op de geweigerde ANW-uitkeringen.