Appellant ontving bijstand sinds 1996 en liep in 2001 letsel op bij een aanrijding. Na langdurige onderhandelingen ontving hij in 2009 een schadevergoeding van €280.000, waarvan een groot deel bedoeld was ter compensatie van verlies aan arbeidsvermogen. Het college trok daarop de bijstand over 2002-2009 in en vorderde de kosten van bijstand terug, omdat appellant nu over middelen beschikte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college niet bevoegd was de bijstand in te trekken over die periode, omdat er geen wettelijke grondslag was voor een herzieningsbesluit. De Raad vernietigde daarom het besluit tot intrekking van de bijstand.
Wel oordeelde de Raad dat het college de terugvordering van de kosten van bijstand terecht baseerde op de schadevergoeding die als inkomen werd aangemerkt. De door appellant voorgestelde specificatie van de schadevergoeding was onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigde daarom de terugvordering, maar veroordeelde het college in de proceskosten van appellant.