Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraken;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1942 en Italiaans staatsburger, vroeg in 2007 een AOW-pensioen aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een pensioen toe op basis van een verzekerde periode van 4 jaar en 8 maanden. Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van niet-verzekerde perioden, met name de periode van 5 juli 1969 tot 17 juni 1974, waarin hij stelde in Nederland te hebben gewoond, gewerkt en in detentie te zijn geweest.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor een duurzame band met Nederland in die periode. De Svb had uitgebreid onderzoek gedaan, waaronder het opvragen van gegevens bij gemeenten, pensioenfondsen en buitenlandse instanties. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het bestuursorgaan binnen redelijke grenzen een beroep mag doen op de aanvrager voor bewijs. De enkele aanvraag van een paspoort en inconsistenties in de opgegeven woon- en werksituaties ondersteunen appellant niet.
Ten aanzien van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) oordeelt de Raad dat de Svb niet verplicht was de uitkering eerder te laten ingaan dan de datum van ontvangst van de aanvraag (24 december 2009). De Svb nam pas per 1 juli 2009 namens Amsterdam taken op zich, waardoor geen ongerechtvaardigd onderscheid is gemaakt. Het verzoek om een eerdere ingangsdatum en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de procedure binnen vier jaar is afgerond.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraken en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant geen recht heeft op een langere verzekerde periode en wijst het verzoek om eerdere AIO-uitkering en schadevergoeding af.