ECLI:NL:CRVB:2013:847

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2013
Publicatiedatum
4 juli 2013
Zaaknummer
11-2419 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding

Appellante en betrokkene leefden op hetzelfde adres, waarbij betrokkene bijstand ontving op grond van de WWB als alleenstaande. Na een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, mede ingegeven door informatie over een vermeende seksinrichting op het woonadres, kwam naar voren dat zij een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden aan het dagelijks bestuur.

Het dagelijks bestuur besloot daarom de bijstandskosten over de periode van 1 juli tot en met 30 september 2009 deels terug te vorderen van appellante. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante het bestaan van een gezamenlijke huishouding, stellende dat betrokkene noodgedwongen op haar was aangewezen, maar dat er geen gezamenlijke huishouding was.

De Raad oordeelde echter dat op basis van het onderzoek, inclusief een aan het strafrechtelijk dossier ontleende rapportage, vaststaat dat een gezamenlijke huishouding bestond. Tevens werd vastgesteld dat betrokkene zijn inlichtingenplicht schond door dit niet te melden. Daarom was het dagelijks bestuur bevoegd de kosten mede van appellante terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstandskosten mede van appellante bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/2419 WWB
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 maart 2011, 10/2236, 10/2493, 10/3528, 10/3529 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Sociale Dienst Bommelerwaard (dagelijks bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2013. De zaak is gevoegd behandeld met zaak 11/2418 WWB. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jacquemard. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M. Leerintveld en
mr. M.G. Laumen. In zaak 11/2418 WWB is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
[betrokkene] (betrokkene) ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van informatie van de regiopolitie Gelderland-Zuid dat betrokkene op zijn woonadres [adres 1] te [gemeente 1] een seksinrichting zou exploiteren, is door de sociale recherche van Regio Rivierenland te Tiel een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. Tijdens dat onderzoek is het vermoeden ontstaan dat betrokkene een gezamenlijke huishouden voerde met appellante. In het kader van het onderzoek is onder meer dossieronderzoek verricht en is met toestemming van de officier van justitie gebruik gemaakt van de onderzoeksgegevens uit een strafrechtelijk onderzoek waarin betrokkene als verdachte van mensenhandel is aangemerkt. Verder heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden in de omgeving van het adres van appellante en van betrokkene, zijn getuigen gehoord en appellante en betrokkene verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 18 november 2009.
1.3.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het dagelijks bestuur onder andere aanleiding geweest om bij besluit van 7 december 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
24 augustus 2010 (bestreden besluit), de gemaakte kosten van de over de periode van
1 juli 2009 tot en met 30 september 2009 aan betrokkene verleende bijstand tot een bedrag van € 2.583,66 mede van appellante terug te vorderen. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante en betrokkene op haar adres een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, zonder dat betrokkene daarvan bij het dagelijks bestuur melding heeft gemaakt.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante bestrijdt kort gezegd dat zij een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met betrokkene. Omdat betrokkene geen bijstand meer ontving en al maanden geen inkomen meer had was hij noodgedwongen aangewezen op haar, maar van een gezamenlijke huishouding was geen sprake volgens appellante.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover hier van belang, kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Op grond van artikel 59, derde lid, van de WWB, voor zover hier van belang, zijn de in het tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.
4.2.
Uit de heden gegeven - bij deze uitspraak gevoegde - uitspraak van de Raad in het geding tussen betrokkene en het dagelijks bestuur (procedurenummer 11/2418 WWB) heeft de Raad geoordeeld (rechtsoverwegingen 4.2.4 en 4.2.5) dat appellante en betrokkene gedurende de periode van 1 juli 2009 tot en met 26 november 2009, derhalve ook gedurende de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. In hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent haar relatie met betrokkene en hun intentie, namelijk dat zij geen gezamenlijke huishouding beoogden en dat betrokkene noodgedwongen op haar was aangewezen, ziet de Raad geen aanleiding om in dit geding tot een ander oordeel te komen.
4.3.
Betrokkene heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting van de gezamenlijke huishouding met appellante geen mededeling gedaan aan het dagelijks bestuur. Dat betekent dat ten aanzien van appellante is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat het dagelijks bestuur bevoegd was de kosten van de over de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 september 2009 aan betrokkene verleende bijstand mede van appellante terug te vorderen.
4.4.
Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en
A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2013.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) P.J.M. Crombach
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD