Uitspraak
OVERWEGINGEN
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellante en betrokkene leefden op hetzelfde adres, waarbij betrokkene bijstand ontving op grond van de WWB als alleenstaande. Na een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, mede ingegeven door informatie over een vermeende seksinrichting op het woonadres, kwam naar voren dat zij een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden aan het dagelijks bestuur.
Het dagelijks bestuur besloot daarom de bijstandskosten over de periode van 1 juli tot en met 30 september 2009 deels terug te vorderen van appellante. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante het bestaan van een gezamenlijke huishouding, stellende dat betrokkene noodgedwongen op haar was aangewezen, maar dat er geen gezamenlijke huishouding was.
De Raad oordeelde echter dat op basis van het onderzoek, inclusief een aan het strafrechtelijk dossier ontleende rapportage, vaststaat dat een gezamenlijke huishouding bestond. Tevens werd vastgesteld dat betrokkene zijn inlichtingenplicht schond door dit niet te melden. Daarom was het dagelijks bestuur bevoegd de kosten mede van appellante terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstandskosten mede van appellante bevestigd.