ECLI:NL:CRVB:2013:946

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2013
Publicatiedatum
10 juli 2013
Zaaknummer
11-7428 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellante ontving vanaf eind 2008 een WIA-uitkering die het UWV per 26 maart 2011 beëindigde wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit bevestigde, stelde appellante hoger beroep in.

In hoger beroep overwoog de Raad dat het geschil draaide om de vraag of de psychische beperkingen van appellante zwaarder moesten worden beoordeeld dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) was opgenomen. De Raad vond dat de verzekeringsartsen een zorgvuldig en goed gemotiveerd onderzoek hadden verricht, waarbij ook de informatie van de behandelend psychologe was betrokken.

De psychologe had weliswaar behoefte aan zekerheid en voorspelbaarheid vastgesteld, maar de Raad vond dat deze aspecten voldoende waren meegenomen in de FML. Er waren geen concrete aanwijzingen voor zwaardere beperkingen. Appellante kon ook niet specificeren welke beperkingen onderschat waren en kon zelf geen aanvullende medische informatie aanleveren.

De Raad zag daarom geen reden om het besluit te herzien of een deskundige te benoemen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het verzoek tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/7428 WIA
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
7 december 2010, 11/3265 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.], België (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft vanaf 29 december 2008 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen. Onder verwijzing naar rapportages van een verzekeringsarts van 10 januari 2011 en een arbeidsdeskundige van 13 januari 2011 heeft het Uwv deze uitkering bij besluit van 19 januari 2011 per 26 maart 2011 beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
1.2. Bij besluit van 16 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 januari 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit rapportages ten grondslag gelegd van bezwaarverzekeringsartsen van 30 maart 2011 en 8 april 2011 en van een bezwaararbeidsdeskundige van 14 juni 2011.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante haar standpunt dat zij arbeidsongeschikt is niet heeft onderbouwd. Uit een brief van de huisarts van appellante van 6 oktober 2011 blijkt wel dat appellante een hoge lijdensdruk heeft vanwege een depressie en dat appellante op 12 september 2011 te kennen heeft gegeven dat zij zichzelf niet in staat acht te werken. Uit deze brief blijkt echter niet dat de huisarts van mening is dat appellante niet in staat is te werken, of dat zij meer beperkt moet worden geacht dan door de bezwaarverzekeringsartsen is aangenomen. De rechtbank is ook overigens niet gebleken dat het bestreden besluit op een onjuiste medische of arbeidskundige grondslag berust.
3.
In hoger beroep heeft appellante brieven overgelegd van behandelend psychologe
drs. M.L. Dubois van 7 maart 2012 en 23 april 2012. Onder verwijzing naar deze brieven heeft appellante betoogd dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Desgevraagd heeft appellante ter zitting nader toegelicht dat zij zich niet (langer) op het standpunt stelt dat zij in het geheel niet in staat is te werken. Wel meent zij dat aanleiding bestaat voor een urenbeperking. Zij stelt hooguit 20 uur per week te kunnen werken. Appellante heeft desgevraagd niet kunnen concretiseren ten aanzien van welke andere aspecten haar beperkingen in haar visie zijn onderschat. Appellante heeft te kennen gegeven zelf niet meer medische informatie te kunnen verschaffen en de Raad verzocht een deskundige te benoemen.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad is de kern van het geschil tussen partijen of het Uwv met het oog op de psychische problematiek van appellante meer beperkingen had moeten aannemen dan opgenomen in de door de verzekeringsarts op 6 januari 2011 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), die door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 8 april 2011 is onderschreven.
4.2.
De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben een zorgvuldig onderzoek verricht, waarbij appellante is gezien en de beschikbare informatie vanuit de behandelend sector is betrokken. Zij hebben inzichtelijk en goed gemotiveerd uiteengezet waarom zij appellante, met inachtneming van de in de FML opgenomen beperkingen, belastbaar achten.
4.3.
In haar brief van 7 maart 2012 heeft de behandelend psychologe als resultaat van een testdiagnostisch onderzoek vermeld dat appellante veel behoefte heeft aan zekerheid en voorspelbaarheid (controle) en afhankelijk is van vertrouwde structuren. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportage van 14 maart 2012 toegelicht dat hieraan met de in de FML opgenomen beperkingen in voldoende mate tegemoetgekomen is.
4.4.
De brieven van de behandelend psychologe bevatten voor het overige geen concrete aanknopingspunten voor het aannemen van beperkingen. Ook overigens heeft de Raad in de gedingstukken geen aanknopingspunten aangetroffen voor andere of verdergaande beperkingen dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen reeds aangenomen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen. De Raad ziet daarom ook geen reden voor de benoeming van een deskundige als door appellante verzocht.
4.5.
Desgevraagd heeft appellante ter zitting te kennen gegeven dat zij geen specifieke bezwaren heeft tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en dat zij, indien de FML juist is, in staat kan worden geacht de geduide functies te vervullen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de in de FML opgenomen beperkingen moeten de geduide functies dan ook passend worden geacht.
4.6.
Hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient bevestigd te worden.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2013.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) E. Heemsbergen

IJ