ECLI:NL:CRVB:2013:960

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2013
Publicatiedatum
11 juli 2013
Zaaknummer
12-1216 MAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 39 Algemeen militair ambtenarenreglement
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag militair wegens rijden onder invloed met hoog alcoholpromillage

Appellant, militair bij de Koninklijke Marechaussee, werd op 18 september 2010 aangehouden voor rijden onder invloed met een alcoholwaarde van 655 µg/l, ruim boven de wettelijk toegestane grens van 220 µg/l en de transactiegrens van het Openbaar Ministerie van 650 µg/l. De minister verleende appellant op 14 februari 2011 ontslag wegens wangedrag op grond van het Algemeen militair ambtenarenreglement.

Appellant maakte bezwaar tegen dit ontslag, maar dit werd bij besluit van 30 augustus 2011 ongegrond verklaard. De minister hanteert een strikt ontslagbeleid bij rijden onder invloed door Kmar-medewerkers, waarbij bij overschrijding van de transactiegrens of verzwarende omstandigheden ontslag volgt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep werd dit bevestigd.

Appellant voerde aan dat het beleid niet bekend was gemaakt, dat een transactie was aangeboden en dat de overschrijding van de transactiegrens slechts 5 µg/l bedroeg, wat in de belangenafweging mee had moeten wegen. De Raad oordeelde dat het beleid niet onredelijk is gezien de bijzondere positie van de Kmar en dat het organisatiebelang zwaarder weegt dan het belang van appellant. Het feit dat appellant een transactie accepteerde, doet hieraan niet af. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag van appellant wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/1216 MAW
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
15 februari 2012, 11/7403 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Defensie (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K. Moaddine, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Moaddine. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Ju.

OVERWEGINGEN

1.
Appellant was als militair aangesteld bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Marechaussee (Kmar), laatstelijk werkzaam bij de Brigade [naam brigade] op [naam vliegveld].
1.1.
Op 18 september 2010 is appellant aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol op grond van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Uit de ademanalyse kwam een alcoholwaarde van 655 µg/l naar voren, die boven de transactiegrens van - ten tijde in geding - 650 µg/l van het Openbaar Ministerie (OM) ligt. De voor appellant wettelijk toegestane maximale waarde is 220 µg/l.
1.2.
Bij besluit van 14 februari 2011 is appellant met ingang van 1 maart 2011 wegens wangedrag ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement.
1.3.
Bij besluit van 30 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Hij heeft de gedragingen van appellant, te weten het deelnemen aan het verkeer met een alcoholpercentage van 655 µg/l, gekwalificeerd als wangedrag buiten de dienst. De minister hanteert een strikt ontslagbeleid bij rijden onder invloed door Kmar-medewerkers. Bij overtreding van artikel 8 van Pro de WVW wordt tot ontslag overgegaan indien het alcoholpercentage zodanig hoog is dat een transactie conform de transactiegrens van het OM niet mogelijk is, danwel indien er sprake is van verzwarende feiten of omstandigheden. Het alcoholpercentage van appellant was hoger dan de transactiegrens van het OM van 650 µg/l.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de minister het beleid nooit bekend heeft gemaakt, wat uiterst onzorgvuldig en in strijd met de rechtszekerheid is. Verder is aan appellant een transactie aangeboden. Hierdoor was een waarschuwing op zijn plaats geweest. Bovendien heeft appellant de transactiegrens slechts met 5 µg/l overschreden. Dit had in de belangenafweging meegenomen dienen te worden.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uitgangspunt van de minister is dat het plegen van een misdrijf door eigen personeel niet wordt getolereerd. Sinds 2005 hanteert de minister het ontslagbeleid zoals dat is
verwoord in 1.3.
4.2.
De Raad acht dit beleid van de minister (zoals reeds eerder overwogen in CRvB 6 maart 2008, LJN BC6827, en CRvB 19 april 2012, LJN BW3312) niet onredelijk, in aanmerking nemend de bijzondere positie van de Kmar als organisatie met politietaken binnen onze samenleving en de hoge eisen die aan de medewerkers worden gesteld wat betreft de betrouwbaarheid en integriteit. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid.
4.3.
Niet is in geding dat het alcoholpercentage van appellant (655 µg/l) boven de wettelijk toegestane grens van 220 µg/l en ook boven de transactiegrens van het OM (650 µg/l) lag. De omstandigheid dat het OM aan appellant desondanks een transactie heeft aangeboden en appellant die transactie heeft geaccepteerd, neemt niet weg dat de minister in redelijkheid mocht vasthouden aan zijn beleid.
4.4.
Dat appellant niet op de hoogte was of zou zijn gebracht van het door de minister ontwikkelde beleid inzake het rijden onder invloed van Kmar-medewerkers, houdt niet in dat het bestreden besluit op die grond geen stand zou kunnen houden.
4.5.
De minister heeft de verweten gedragingen aan appellant mogen toerekenen en de minister heeft een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het organisatiebelang van de Kmar dan aan het belang van appellant.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.N.A. Bootsma en
C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2013.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) S. Aaliouli

HD