ECLI:NL:CRVB:2013:BY7860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- K.J. Kraan
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van benadeling en bestuursrechtelijke rechtsbescherming bij disciplinaire straf OR-leden
De zaak betreft een hoger beroep van de Ondernemingsraad tegen het besluit van de minister om disciplinaire straffen aan OR-leden te handhaven. De strafbesluiten waren eerder onherroepelijk verklaard nadat geen beroep was ingesteld tegen de besluiten op bezwaar. De Ondernemingsraad stelde dat sprake was van benadeling als bedoeld in artikel 21 van Pro de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en dat het advies van de bedrijfscommissie een nieuw feit vormde dat herziening rechtvaardigde.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de Ondernemingsraad als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gebruik kan maken van bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Echter, omdat de Ondernemingsraad destijds heeft berust in het oordeel dat artikel 21 WOR Pro niet is geschonden, staan de besluiten op bezwaar vast. Het advies van de bedrijfscommissie wordt niet beschouwd als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, maar als een andere waardering van reeds bekende feiten.
De Raad bevestigt dat de minister terecht het verzoek om terug te komen op het besluit heeft afgewezen en dat de rechtbank het beroep van de Ondernemingsraad terecht ongegrond heeft verklaard. De procedurele regels van de Awb zijn van toepassing op benadelingsgeschillen in de overheidssector, waarbij de Ondernemingsraad bestuursrechtelijke rechtsbescherming geniet. De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie over de status van adviezen van de bedrijfscommissie.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 januari 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Ondernemingsraad wordt ongegrond verklaard en de disciplinaire straffen blijven gehandhaafd.