ECLI:NL:CRVB:2013:BY8042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens onrechtmatig verblijf zonder compensatieplicht UWV
Appellant, geboren in Ghana, had een arbeidsovereenkomst die per 15 september 2009 werd beëindigd. Hij vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat hij op de eerste werkloosheidsdag niet rechtmatig in Nederland verbleef vanwege het ontbreken van een werkvergunning.
Appellant diende bezwaar in en startte een procedure, waarbij ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De kern van het hoger beroep betrof de stelling dat het besluit onrechtmatig was omdat appellant geen compensatie ontving ondanks dat er premies voor hem waren afgedragen. De Raad oordeelde dat appellant geen internationaal voorschrift of beginsel kon aanwijzen dat het UWV verplicht tot het bieden van compensatie, en verwierp het beroep.
De uitspraak bevestigt dat het ontbreken van rechtmatig verblijf op de eerste werkloosheidsdag uitsluit dat recht op WW-uitkering bestaat en dat dit niet onrechtmatig is, ook niet zonder compensatie voor afgedragen premies.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd zonder compensatieplicht.