ECLI:NL:CRVB:2013:BY8763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.J.M. Heijs
- W.F. Claessens
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en werkzaamheden in koffiehuis
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB sinds 10 maart 2008. In 2010 verrichtte de afdeling Handhaving een heronderzoek en stelde vast dat appellant werkzaamheden verrichtte in het koffiehuis van zijn oom en daarnaast maandelijks €200 aan giften ontving zonder dit aan het college te melden.
Het college trok de bijstand per 12 maart 2010 in wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het halen van eten voor de oom een structurele en op geld waardeerbare activiteit was, ondanks dat het ophalen van glazen en kopjes niet als zodanig werd gezien.
In hoger beroep betoogde appellant dat het halen van eten en samen eten geen structurele activiteit was en dat hij vanwege depressie door zijn oom was uitgenodigd om onder de mensen te komen. De Raad oordeelde echter dat het halen van eten wel degelijk een op geld waardeerbare activiteit is en dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken omdat niet kon worden vastgesteld of appellant bijstandbehoevend was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting en het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden.