ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en niet aannemelijk maken geen werkzaamheden
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en was als gevolmachtigde ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het college stelde vast dat appellant deze inschrijving niet had gemeld, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde. Op basis hiervan werd de bijstand over de periode augustus tot en met december 2008 ingetrokken en teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat hij geen feitelijke werkzaamheden had verricht en geen inkomsten had genoten. Hij overlegde een verklaring van een vennoot, maar deze werd niet als betrouwbaar beoordeeld vanwege het ontbreken van controleerbare gegevens. Bankafschriften toonden diverse stortingen, waaronder een betaling met de vermelding dat het ging om een factuur voor werkzaamheden.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij geen inkomsten had en dat het college terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd. Ook het opleggen van een maatregel van 10% van de ten onrechte ontvangen bijstand werd bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 16 juni 2011 werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.