ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten hoogbegaafdheid zoon wegens onvoldoende onderzoek naar voorliggende jeugdzorgvoorziening
Appellante, een alleenstaande ouder die bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor reiskosten en consultkosten in verband met de hoogbegaafdheid en schoolproblemen van haar zoon. Het college wees de aanvraag af omdat volgens hen een voorliggende voorziening aanwezig was in de vorm van zorg vanuit de Wet op de jeugdzorg (Wjz), specifiek via het Bureau Jeugdzorg (Bjz).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het college onvoldoende had onderzocht of de zoon daadwerkelijk was aangewezen op jeugdzorg of zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Wjz. De enkele verwijzing naar de wettelijke taakstelling van het Bjz was volgens de Raad onvoldoende om te concluderen dat een passende en toereikende voorliggende voorziening aanwezig was.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en droeg het college op binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarin het gebrek in de motivering wordt hersteld. De Raad kon zelf niet beoordelen of het besluit in stand kon blijven wegens onvoldoende gegevens. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 februari 2013.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand wordt vernietigd en het college krijgt opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen.