ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering restitutie premie wegens ontbreken nieuwe feiten bij verzekeringsplicht
Appellant verzocht om restitutie van premies die in de jaren 2003, 2004 en 2005 waren betaald voor een arbeidsverhouding met zijn vader, waarbij hij stelde dat geen sprake was van een dienstbetrekking vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Het UWV wees het verzoek af, omdat het herzieningsverzoek voor 2003 en 2004 buiten de termijn viel en voor 2005 geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat bij herziening nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moeten worden gesteld. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor de loonopgave bij de werkgever ligt en dat het UWV op basis daarvan de premie vaststelt.
Appellant stelde dat het UWV ten onrechte geen inhoudelijk onderzoek naar de verzekeringsplicht had verricht, maar de Raad oordeelt dat het verzoek om restitutie neerkomt op een verzoek tot terugkomen op een eerder premiebesluit, waarvoor nieuwe feiten vereist zijn. Het feit dat appellant in 2010 door een nieuwe boekhouder werd gewezen op mogelijke onjuiste premieafdracht, geldt niet als nieuw feit.
De Raad wijst ook de overige bezwaren van appellant af, waaronder het beroep op het gelijkheidsbeginsel en eerdere uitspraken, en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om restitutie van premies over 2005 wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.