ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Betrokkene ontving bijstand van 1992 tot 2009 en gaf aan te zijn verhuisd naar het adres van zijn zus. Een onderzoek van de gemeente Nijmegen toonde aan dat hij in de relevante periode niet daadwerkelijk op dat adres woonde. Diverse verklaringen van buurtbewoners en de zus van betrokkene bevestigden dat hij slechts logeerde en geen vaste woonruimte had.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking van de bijstand ongegrond, maar oordeelde dat de afwijzing van bijstand voor een latere periode onvoldoende gemotiveerd was. De Raad bevestigt dat betrokkene vanaf 15 mei 2009 wel op het opgegeven adres woonde, maar dat het college terecht het recht op bijstand voor die periode niet kon vaststellen vanwege onvoldoende bewijs van kosten van levensonderhoud.
De Raad verklaart het beroep tegen het besluit van 27 april 2011 ongegrond en veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene. De beslissing is gebaseerd op feitenonderzoek, verklaringen en bewijsstukken, waarbij het belang van correcte woonplaatsregistratie en bewijs van bijstandbehoevendheid centraal staan.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.