ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- M.C. Bruning
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering meerinkomen op grond van artikel 3.17 Wsf 2000 ondanks onbewuste overschrijding bijverdiengrens
Appellante ontving studiefinanciering in 2008 en werd geconfronteerd met een vordering wegens overschrijding van de bijverdiengrens. Zij voerde aan dat het inkomen onderdeel was van een re-integratietraject en dat de overschrijding onbewust was, en betwistte de berekening van de vordering.
De rechtbank Amsterdam wees het beroep van appellante af, waarbij het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen vanwege het ontbreken van bewijs van onjuiste telefonische voorlichting. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat de Minister de vordering terecht heeft vastgesteld op basis van het belastbare loon volgens artikel 3.17 Wsf 2000.
De Raad benadrukt dat schuld of opzet bij het overschrijden van de bijverdiengrens geen voorwaarde is voor het opleggen van de vordering. Daarnaast rust de bewijslast op appellante om aan te tonen dat zij onjuist is voorgelicht, wat niet is gelukt.
De Raad wijst ook op het verbod voor de Minister om af te wijken van het toetsingsinkomen zoals bepaald in de wet en dat de vordering een netto-bedrag betreft, wat voortvloeit uit de systematiek van de wet. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De vordering wegens meerinkomen wordt bevestigd ondanks onbewuste overschrijding van de bijverdiengrens.