ECLI:NL:CRVB:2023:1774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering wegens meerinkomen studiefinanciering 2016 en 2017
Appellante kreeg studiefinanciering toegekend over 2016 en 2017, maar de minister legde haar vorderingen wegens meerinkomen op omdat zij de bijverdiengrens had overschreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
Appellante voerde aan dat de vordering een punitieve sanctie is en dat toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vereist is. Ook stelde zij dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen en dat zij niet opzettelijk de grens had overschreden. De Raad oordeelt dat de vordering compensatoir is en geen sanctie, waardoor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel niet aan de orde is.
Verder is vastgesteld dat appellante niet tijdig melding heeft gemaakt van de overschrijding in 2016 en 2017 en dat zij een rekenfout maakte door uit te gaan van netto- in plaats van bruto-inkomen. De Raad acht dit niet verwijtbaar gezien de communicatie van DUO. Het tijdsverloop tussen het opleggen van de vordering en het jaar waarop deze betrekking heeft is toelaatbaar. De hardheidsclausule is niet van toepassing en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vorderingen wegens meerinkomen over 2016 en 2017 worden bevestigd.