ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering na bereiken meerderjarigheid kind en beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) nadat haar echtgenoot was overleden en zij een minderjarig kind had. Deze uitkering werd beëindigd toen haar jongste kind 18 jaar werd. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij arbeidsongeschikt was en daarom recht had op voortzetting van de uitkering.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) liet een medisch onderzoek uitvoeren in Turkije, waarbij een depressieve stoornis werd vastgesteld. Desondanks concludeerden de verzekeringsartsen dat appellante niet arbeidsongeschikt was volgens de ANW-criteria, mede omdat de beperkingen niet leidden tot een urenbeperking in het verrichten van arbeid.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de medische beoordeling toereikend was. In hoger beroep stelde appellante dat haar belastbaarheid onjuist was vastgesteld, maar de Raad onderschreef de medische beoordeling van de verzekeringsartsen en concludeerde dat er geen reden was om aan de geschiktheid van de voor appellante geduide functies te twijfelen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige en ook geen grond voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet arbeidsongeschikt is en de nabestaandenuitkering terecht is beëindigd.