ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf december 1997 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een onderzoek van de Sociale verzekeringsbank (Svb) naar een mogelijke gezamenlijke huishouding met een man, [C.], besloot de Svb in 2009 de uitkering met terugwerkende kracht per 1 december 2001 te beëindigen en de te veel betaalde bedragen terug te vorderen.
De Raad beoordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, ondanks dat appellante en [C.] op verschillende adressen stonden ingeschreven. Dit werd onderbouwd met verklaringen van appellante en [C.], getuigenverklaringen en verbruiksgegevens. De Raad verwierp de stellingen van appellante over onzorgvuldigheid van het onderzoek en onbetrouwbaarheid van verklaringen.
De Raad oordeelde dat de verjaringstermijn voor terugvordering niet was overschreden en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de bestreden uitspraken van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging en terugvordering van de nabestaandenuitkering bevestigd.