ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf 1996 een nabestaandenuitkering en later een AOW-pensioen voor een ongehuwde. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde na een onderzoek dat appellant en [B.] een gezamenlijke huishouding voerden en herzag het pensioen naar een gehuwdenpensioen, met terugvordering van te veel ontvangen bedragen.
Appellant betwistte dit en voerde aan dat er geen gezamenlijke huishouding was, dat verklaringen onbetrouwbaar waren en dat het onderzoek onzorgvuldig was. Ook wees hij op vrijspraak in strafzaken en stelde verjaring van de terugvordering.
De Raad oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding op basis van verklaringen, getuigenverklaringen en verbruiksgegevens. Het onderzoek was zorgvuldig en de vrijspraak in strafzaken leidde niet tot ander oordeel. Verjaring was niet aan de orde omdat de Svb pas in 2008 op de hoogte was van de feiten.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.