ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant ontving van december 2003 tot mei 2004 een WW-uitkering. Naar aanleiding van een melding dat appellant werkzaamheden verrichtte, stelde het UWV een onderzoek in. Uit verklaringen en een onderzoeksrapport bleek dat appellant vanaf januari 2004 werkzaamheden verrichtte voor een derde, zonder dit te melden op werkbriefjes.
De Raad oordeelde dat deze werkzaamheden niet als vriendendienst of vrijwilligerswerk kunnen worden aangemerkt omdat zij in het economisch verkeer plaatsvonden en geldelijk voordeel beoogd werd, ook al was er geen daadwerkelijke vergoeding. Hierdoor verloor appellant de hoedanigheid van werknemer in de zin van de WW en schond hij de inlichtingenplicht.
Het UWV had de WW-uitkering herzien en een bedrag van €993,78 teruggevorderd. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van appellant ongegrond verklaarde, hoewel de Raad erkende dat de schatting van het aantal gewerkte uren in de periode van januari tot mei 2004 te hoog was. De Raad verbond echter geen nadelige gevolgen aan het hoger beroep van appellant en handhaafde het terugvorderingsbedrag.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 februari 2013, waarbij partijen niet verschenen waren bij de zitting.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WW-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden.