ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand met terugwerkende kracht bij geschorste WWB-uitkering
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) die per 26 juni 2009 werd ingetrokken wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens. Appellant meldde zich op 8 juni 2009, tijdens de schorsingsperiode, om bijstand aan te vragen, maar dit werd niet als een geldige aanvraag beschouwd omdat het recht op bijstand toen nog bestond en de bijstand feitelijk geschorst was.
Het dagelijks bestuur wees de aanvraag voor bijstand met terugwerkende kracht af, omdat artikel 44 van Pro de WWB dit niet toestaat zonder bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad vernietigde dit oordeel deels omdat het dagelijks bestuur niet op alle bezwaargronden had beslist, met name over de verrekening van voorschotten.
De Raad bevestigde dat geen bijzondere omstandigheden waren die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen en dat de melding van appellant niet als aanvraag kon worden aangemerkt. Het dagelijks bestuur mocht de voorschotten verrekenen met de vanaf 26 oktober 2009 toegekende bijstand. Het bestreden besluit werd vernietigd voor zover het geen beslissing had genomen op het bezwaar tegen deze verrekening. De Raad veroordeelde het dagelijks bestuur tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover geen beslissing is genomen op het bezwaar tegen verrekening van voorschotten.