ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als algemeen medewerker/chauffeur, meldde zich ziek met nek-, schouder- en lage rugklachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat zijn arbeidsongeschiktheid per 18 januari 2010 minder dan 35% bedroeg, waardoor hij geen recht had op een WIA-uitkering. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank wees zijn beroep af.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de functionele beperkingen onvoldoende waren vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), met name gezien zijn lage opleidingsniveau en klachten zoals tintelingen en tremors. Tevens stelde hij dat de FML onvoldoende rekening hield met pollenallergie en bronchitis.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsarts Goossens en bezwaarverzekeringsarts Momberg, die alle klachten en medische informatie in ogenschouw namen. De FML werd aangepast waar nodig en de beperkingen werden adequaat vastgesteld. Het standpunt van appellant over het opleidingsniveau werd niet gevolgd wegens gebrek aan onderbouwing.
Op basis van de aangepaste FML en het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige werd vastgesteld dat appellant in staat is om bepaalde functies te verrichten met een verlies aan verdiencapaciteit van 21,5%. Daarmee is de arbeidsongeschiktheid onvoldoende voor een WIA-uitkering. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het recht op een WIA-uitkering wordt ontzegd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.