ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als schoonmaker tot 2007, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekte in 2008. Medische en arbeidskundige onderzoeken concludeerden dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, wat geen recht op uitkering geeft. De rechtbank vernietigde het oorspronkelijke besluit wegens een gebrekkige arbeidskundige onderbouwing, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven omdat het gebrek was hersteld.
In hoger beroep betwistte appellant dat het UWV voldoende onderzoek had gedaan naar geschikte functies, met name over de functie van puntlasser. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de medische en arbeidskundige gronden toereikend zijn en dat de functie van puntlasser terecht is meegenomen na aanvullend onderzoek.
De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe medische of arbeidskundige argumenten had aangevoerd die aanleiding geven tot herziening van het besluit. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarmee het recht op een WIA-uitkering werd ontzegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.