ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens weigering medewerking huisbezoek
Appellante ontving sinds 2005 bijstand en werd onderzocht naar aanleiding van een melding dat haar meerderjarige dochter mogelijk bij haar woonde. Op 4 maart 2010 voerden handhavingsmedewerkers een gesprek en trachtten een huisbezoek af te leggen. Appellante weigerde medewerking en maakte beledigende opmerkingen, waaronder een vergelijking met de Gestapo.
Het college trok de bijstand per 4 maart 2010 in wegens deze weigering, wat werd bevestigd door de rechtbank Rotterdam. Appellante voerde aan dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek en dat andere controlemogelijkheden beschikbaar waren. De Raad oordeelde dat er wel degelijk redelijke grond was, gebaseerd op concrete feiten zoals klachten van de dochter en het gebruik van het adres van appellante.
De Raad stelde vast dat appellante duidelijk was geïnformeerd over het belang en de gevolgen van het huisbezoek en dat het college terecht de beleidsregel hanteerde dat één weigering tot intrekking kan leiden. De financiële gevolgen van de intrekking werden niet als dringende reden gezien om hiervan af te zien. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens weigering medewerking aan het huisbezoek wordt bevestigd.