ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft een hoger beroep tegen een loonsanctie die het UWV oplegde aan een werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen tijdens de ziekteperiode van een werknemer. Het UWV verlengde het recht op loon tijdens ziekte tot 6 februari 2012 omdat de werkgever niet voldoende had gedaan om de werknemer weer aan het werk te krijgen.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en oordeelde dat de werkgever ten onrechte uitging van het ontbreken van benutbare mogelijkheden bij de werknemer. De werkgever stelde in hoger beroep dat de werknemer door een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en psychische klachten geen benutbare mogelijkheden had, gesteund door rapporten van psycholoog, psychiater en orthopedisch chirurg.
De Raad concludeert dat de rapporten van arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen zorgvuldig zijn opgesteld en dat het UWV overtuigend heeft gemotiveerd dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren. De medische bevindingen wijzen op beperkingen, maar ook op mogelijkheden voor lichte werkzaamheden. De Raad wijst de stelling van de werkgever af dat de werknemer geheel geen benutbare mogelijkheden had.
Verder bevestigt de Raad dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie, ook als bedrijfsartsen tekortschieten in hun adviezen. De werkgever had kritischer moeten zijn op het summiere advies van de bedrijfsarts. Het hoger beroep wordt afgewezen en de loonsanctie blijft van kracht.
Uitkomst: De loonsanctie wordt bevestigd omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zonder deugdelijke grond.