ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college trok deze in en vorderde terug wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar voormalige echtgenoot zonder dit te melden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat uit de relatie en het samenwonen een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding volgde vanaf 1 juni 2009.
In hoger beroep stelde appellante dat de kinderen uit de relatie ouder zijn dan 18 jaar en dat haar voormalige echtgenoot niet vanaf 1 juni 2009 hoofdverblijf bij haar had. De Raad oordeelde dat het onweerlegbare vermoeden niet van toepassing is vanwege de leeftijd van de kinderen en dat het bewijs onvoldoende is voor samenwoning vóór 1 november 2009. Vanaf die datum was er wel sprake van gezamenlijke huishouding.
De Raad vernietigde het terugvorderingsbesluit over de periode 1 juni tot 1 november 2009 en herroept het intrekkingsbesluit voor die periode. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten en wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit is vernietigd voor de periode 1 juni tot 1 november 2009; intrekking bijstand blijft vanaf 1 november 2009 gehandhaafd.