ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap voor AOW vanaf start studie in Nederland
Appellant, geboren in 1955 in Turkije, vroeg in 1984 toelating als vluchteling aan en kreeg in 1989 de Nederlandse nationaliteit. Hij stelde dat hij vanaf zijn aankomst in Nederland in april 1984 als ingezetene voor de AOW moest worden beschouwd. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde dat het ingezetenschap pas begon op 24 juni 1985, de datum waarop appellant toestemming kreeg om te studeren.
De rechtbank stelde vast dat appellant vanaf 24 juni 1985 verzekerd was voor de AOW, omdat hij toen een duurzame persoonlijke band met Nederland kreeg door het starten van zijn studie politicologie en het ontvangen van een studiebeurs. De intentie om te blijven bij aankomst in Nederland en het feit dat appellant was ingeschreven in het bevolkingsregister vanaf mei 1984 waren onvoldoende om eerder ingezetenschap aan te nemen.
Appellant voerde aan dat hij al eerder aanspraak had op kinderbijslag en dat zijn vluchtelingenstatus een eerdere ingezetenschap rechtvaardigde. Deze stellingen werden verworpen omdat de Svb geen bewijs kon leveren van kinderbijslag en de vluchtelingenstatus niet automatisch een duurzame band met Nederland impliceert.
De Raad verwees naar jurisprudentie waarin is bepaald dat een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland noodzakelijk is voor ingezetenschap. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat ingezetenschap pas vanaf 24 juni 1985 geldt. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Appellant is pas vanaf 24 juni 1985 als ingezetene voor de AOW verzekerd, niet vanaf aankomst in 1984.