ECLI:NL:CRVB:2014:940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap voor AOW-verzekering bij vluchteling na aankomst in Nederland
Appellant, geboren in 1979, vluchtte uit Irak en kwam op 15 december 1997 in Nederland aan. Hij vroeg in 2011 een pensioenoverzicht aan waaruit bleek dat hij niet verzekerd was voor de AOW van zijn vijftiende verjaardag tot en met 19 oktober 2000. Het bezwaar van appellant tegen deze constatering werd in eerste aanleg ongegrond verklaard, maar de rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit.
Appellant stelde dat hij vanaf zijn aankomst in Nederland verzekerd moest worden geacht omdat hij definitief zijn banden met Irak had verbroken en zich wilde vestigen in Nederland. De Raad onderzocht of appellant vanaf 15 december 1997 tot en met 19 oktober 2000 als ingezetene in de zin van de AOW kon worden beschouwd. Volgens de AOW is ingezetene degene die in Nederland woont, waarbij de woonplaats wordt bepaald aan de hand van alle omstandigheden en de aanwezigheid van een duurzame persoonlijke band met Nederland.
De Raad concludeerde dat appellant geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had vanaf zijn aankomst. Hij beschikte niet over duurzaam tot zijn beschikking staande woonruimte en had aanvankelijk slechts een tijdelijke verblijfsvergunning met beperkingen. Het volgen van Nederlandse les en vrijwilligerswerk veranderde hier niets aan. Ook de vluchtelingenstatus bracht niet mee dat hij vanaf aankomst als ingezetene moest worden beschouwd.
Daarom werd de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd en het beroep van appellant afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellant was niet verzekerd voor de AOW tussen 15 december 1997 en 19 oktober 2000 vanwege het ontbreken van een duurzame persoonlijke band met Nederland.