Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6870

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/6159 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens ontbreken objectieve onderbouwing arbeidsongeschiktheid

Appellant was van 9 juni tot en met 30 juli 2008 werkzaam als monteur bij Philips via Randstad. Hij vroeg op 24 juni 2010 een Ziektewetuitkering aan met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2008, stellende dat hij toen al ziek was geworden tijdens zijn werkzaamheden.

Het UWV weigerde de uitkering omdat de verzekering op 1 augustus 2008 eindigde en appellant pas op 26 januari 2009 voor het eerst contact had met zijn huisarts wegens ziekte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er geen objectieve gegevens waren die zijn eerdere arbeidsongeschiktheid konden bevestigen.

De Raad onderschrijft dit oordeel. Uit het dossier blijkt dat appellant geen contact had met hulpverleners in de periode na zijn werkzaamheden bij Philips tot januari 2009. De verklaringen van psychiaters zijn gebaseerd op latere beschrijvingen en vormen geen voldoende objectieve basis. Ook de huisarts meldde geen psychotische symptomen bij het eerste contact. Daarom is het standpunt van appellant onvoldoende onderbouwd.

Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering bevestigd.

Uitspraak

11/6159 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van
13 september 2011, 11/1333 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 10 april 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boon en zijn zuster [naam zuster]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is laatstelijk van 9 juni tot en met 30 juli 2008 door Randstad Uitzendbureau (Randstad) als monteur uitgezonden naar Philips Medical Systems Nederland B.V. (Philips). Het betrof hier een contract voor bepaalde tijd.
1.2. Op 24 juni 2010 heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aangevraagd. Hij heeft daarbij gesteld dat hij tijdens het werk bij Philips al ernstige spanningsklachten had en dat zijn toestand na beëindiging van zijn werk bij Philips is verergerd.
1.3. Bij besluit van 27 oktober 2010 heeft het Uwv geweigerd appellant een ZW-uitkering toe te kennen, omdat zijn verzekering ingevolge de ZW op 1 augustus 2008 is geëindigd en appellant pas meer dan een maand na die datum ziek is geworden. Het Uwv heeft zich hierbij gebaseerd op een rapportage van verzekeringsarts N.M.M. Kummeling van 28 september 2010, waarin deze de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant heeft gesteld op
26 januari 2009, de datum waarop appellant voor het eerste contact heeft gehad met zijn huisarts.
1.4. Bij besluit van 31 maart 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 oktober 2010 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op een rapportage van bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, nu appellant zich pas op 24 juni 2010 met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2008 ziek heeft gemeld, het aan hem is aannemelijk te maken dat hij op 1 augustus 2008 dan wel binnen de op grond van artikel 46 van Pro de ZW geldende periode van nawerking van een maand ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. De rechtbank heeft geoordeeld dat, mede gelet op de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen, het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen voldoende objectieve onderbouwing voorhanden is voor het standpunt van appellant dat hij al op 1 augustus 2008 dan wel in de periode van nawerking ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Het Uwv heeft dan ook op goede gronden geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag op
1 augustus 2008 gesteld moet worden. Hij is tijdens zijn werkzaamheden bij Philips al ziek geworden. Naar zijn mening is de onderbouwing hiervan gelegen in de feitelijke gegevens in combinatie met zijn ziektebeeld en de toelichting van de psychiater daarop.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellant stelt al tijdens zijn werk bij Philips ziek te zijn geworden. In de gedingstukken kunnen hiervoor naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten worden gevonden. Bij brief van 22 juni 2010 heeft Randstad te kennen gegeven dat appellant van 9 juni tot en met 30 juli 2008 uitgezonden is geweest naar Philips. Randstad heeft in het dossier geen reden gevonden om aan te nemen dat appellant met een negatieve ontslagcode bij Philips is weggegaan. In een telefoongesprek van 6 januari 2011 met het Uwv heeft de toenmalige gemachtigde van appellant, R.A.J.E. de Wit, vermeld dat hij contact heeft gehad met de ex-werkgever van appellant, dat degene die destijds contactpersoon van appellant was niet meer bij deze werkgever werkt, dat iemand anders in het dossier van appellant heeft gekeken en niets heeft kunnen vinden dat appellant zou kunnen helpen. Voor zover dat nog te achterhalen viel zou appellant volgens de werkgever niet ziek zijn geweest.
4.2. Appellant stelt direct na het beëindigen van zijn werkzaamheden bij Philips te zijn gaan zwerven en (verder) geestelijk achteruit te zijn gegaan. Over de periode van augustus 2008 tot eind januari 2009 bevatten de gedingstukken echter geen concrete gegevens uit een objectieve bron. Appellant heeft in die tijd geen contact gehad met zijn huisarts of enigerlei hulpverleningsinstelling. Volgens een verklaring van zijn huisarts heeft de vader van appellant, toen hij voor zichzelf op het spreekuur kwam, melding gemaakt van de situatie van zijn zoon en heeft de oudste zus van appellant hem er in de wachtkamer een keer over aangesproken. Wanneer dit precies is geweest heeft de huisarts niet vermeld. Vast staat dat appellant zelf pas op 26 januari 2009 contact heeft gehad met zijn huisarts. Deze heeft hem op 30 januari 2009 verwezen naar GGz Eindhoven (GGzE). Volgens een brief van psychiater P.J.E. Roks van 25 februari 2010 is appellant op 30 april 2009 gedwongen opgenomen met een inbewaringstelling in verband met psychotische problematiek en is later een rechterlijke machtiging afgegeven. Wanneer deze opname is geëindigd blijkt niet uit de stukken. Volgens een brief van psychiater C. Meijer van 7 juli 2009 is appellant van 12 tot 22 juni 2009 opnieuw opgenomen geweest. Waar de psychiaters in hun brieven van 7 juli 2009 (Meijer) en 25 februari 2010 en 12 juli 2011 (Roks) de situatie van appellant voorafgaand aan zijn opname beschrijven doen zij dit niet op basis van hun eigen waarneming, maar op basis van een beschrijving die appellant zelf, al dan niet met hulp van zijn familie, geruime tijd later heeft gegeven. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bevindingen van de behandelend psychiaters onvoldoende basis vormen voor het oordeel dat de gezondheidssituatie van appellant op 1 augustus 2008 dan wel in de maand daarna al zodanig was dat hij niet in staat was zijn arbeid te verrichten. De Raad acht daarbij met bezwaarverzekeringsarts Van Paridon in diens rapportage van 5 augustus 2011 van belang dat de huisarts, die op 29 januari 2009 contact heeft gehad met appellant, geen psychotische symptomen heeft beschreven. Voorts acht de Raad van belang dat naar aanleiding van dit contact met de huisarts kennelijk geen crisisopname heeft plaatsgevonden. Appellant is pas op 30 april 2009, 3 maanden na het contact met de huisarts, opgenomen.
4.3. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen voldoende objectieve onderbouwing voorhanden is voor het standpunt van appellant dat hij al op 1 augustus 2008 dan wel binnen de destijds op grond van artikel 46 van Pro de ZW geldende periode van nawerking van een maand na die datum wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, hetgeen betekent dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering.
4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) H.J. Dekker
JL