ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6873

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/3623 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 ZWArt. 3 ZWArt. 7:685 BWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing over ingangsdatum Ziektewet-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst

Appellante was sinds augustus 2007 werkzaam als secretaresse en meldde zich ziek in maart 2009. In juli 2010 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst zou eindigen door ontbinding door de kantonrechter, met een afgesproken loonbetaling tot 15 juni 2010. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2010.

Appellante vroeg een Ziektewet-uitkering aan met ingang van 15 juni 2010, maar het UWV kende deze toe vanaf 1 augustus 2010, de datum van de ontbinding. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de ZW-uitkering volgens artikel 29 ZW Pro ingaat vanaf de datum waarop de dienstbetrekking eindigt.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet verantwoordelijk was voor de late ondertekening van de ontbindingsovereenkomst door haar ex-werkgeefster. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit verweer niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewet-uitkering ingaat op 1 augustus 2010, de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

11/3623 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 mei 2011, 10/5102 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 10 april 2013.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2013. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was sinds 20 augustus 2007 werkzaam als secretaresse bij [naam werkgeefster] (werkgeefster). Op 18 maart 2009 heeft zij zich ziek gemeld. Op 14 juli 2010 is tussen appellante en werkgeefster een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij onder meer en voor zover thans relevant is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt door middel van een neutrale ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ex artikel 7:685 van Pro het Burgerlijk Wetboek op een zo vroeg mogelijk datum na ondertekening van deze overeenkomst en dat het dienstverband wordt afgewikkeld conform de wet per 1 juli 2010, zij het dat het loon is verschuldigd tot en met 15 juni 2010. Bij beschikking van 29 juli 2010 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen appellante en werkgeefster per 1 augustus 2010 ontbonden. Bij brief van 10 september 2010 heeft appellante bij het Uwv een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aangevraagd per
15 juni 2010.
1.2. Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 1 augustus 2010 een ZW-uitkering toegekend. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, gelet op de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, het Uwv ingevolge artikel 29 van Pro de ZW op goede gronden met ingang van 1 augustus 2010 aan appellante een uitkering ingevolge de ZW heeft toegekend. De door appellante gestelde oorzaak van de late ondertekening van de vaststellingsovereenkomst en het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het Uwv in strijd met de ZW een uitkering moet toekennen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover appellante meent dat de werkgeefster haar langer loon had moeten doorbetalen, het op haar weg lag de werkgeefster daartoe te manen.
3. In hoger beroep heeft appellante (samengevat) haar standpunt herhaald dat zij niet verantwoordelijk gesteld mag worden voor de nalatigheid van haar ex-werkgeefster, die heeft verzuimd de ontbindingsovereenkomst tijdig te ondertekenen en in te sturen als gevolg waarvan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst eerst per 1 augustus 2010 kon ontbinden.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. Het oordeel van de rechtbank dat appellante ingevolge het bepaalde in artikel 29 van Pro de ZW niet eerder dan per 1 augustus 2010 aanspraak heeft op ziekengeld wordt onderschreven. Partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd door middel van ontbinding door de kantonrechter. Op grond van artikel 29, tweede lid, tweede aanhef en onder c, van de ZW, wordt het ziekengeld uitgekeerd aan de verzekerde van wie de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, binnen het in het vijfde lid genoemde tijdvak van
104 weken eindigt, vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken nadat de dienstbetrekking is geëindigd, doch niet eerder dan vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken. Bepalend in deze is derhalve de datum (in dit geval 1 augustus 2010) waarop de dienstbetrekking is geëindigd. Het Uwv heeft op goede gronden met ingang van
1 augustus 2010 aan appellante een uitkering ingevolge de ZW toegekend. De afspraak van appellante met haar ex-werkgeefster dat het loon is verschuldigd tot 15 juni 2010 maakt dit niet anders.
4.2. Gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) H.J. Dekker
JL