ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering op grond van feitelijke verdiensten
Appellante was sinds 1999 arbeidsongeschikt verklaard vanwege darmklachten en werkte bij ABN AMRO. Haar arbeidsongeschiktheidspercentage werd meerdere malen aangepast, mede door hervatting van passend werk en uitbreiding van arbeidsuren. Na beëindiging van haar dienstverband in 2006 ontving zij een WW-uitkering. In 2007 werd haar WAO-uitkering ingetrokken op basis van feitelijke verdiensten bij haar voormalige werkgever.
De rechtbank vernietigde dit besluit, waarna het UWV uit zorgvuldigheidsoverwegingen de uitkering voortzette tot nader onderzoek. Op basis van een arbeidsdeskundig rapport stelde het UWV in 2010 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 15 tot 25% vanaf 25 april 2007. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar ziekte sinds november 2009 was verergerd, maar de Raad oordeelde dat dit geen invloed had op de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid per 25 april 2007. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en oordeelde dat het UWV terecht artikel 9, onderdelen h en i, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten had toegepast.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering op basis van feitelijke verdiensten per 25 april 2007.