ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid met energetische beperkingen
Appellant, die sinds 2000 arbeidsongeschikt is door een hersenbloeding, kreeg zijn WAO-uitkering ingetrokken in 2005 wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Na een toename van klachten meldde hij zich in 2009 opnieuw arbeidsongeschikt. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%, maar verklaarde zijn bezwaar hiertegen ongegrond.
Appellant voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn energetische beperkingen, waardoor hij niet in staat zou zijn de geduide functies te vervullen. Hij overhandigde een rapportage van een gedragsneuroloog ter onderbouwing. De Raad stelde vast dat sprake was van een Amber-situatie en dat het geschil vooral ging over de mate van belastbaarheid.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag van het besluit juist was. De gedragsneuroloog erkende weliswaar klachten over aandacht en energie, maar gaf geen concrete onderbouwing voor een urenbeperking. Medische rapporten wezen erop dat restloos herstel mogelijk is en dat arbeidsduur niet beperkt hoeft te worden. De Raad zag geen reden een deskundige te benoemen en concludeerde dat appellant op medische gronden in staat is de geduide functies te vervullen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.