ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens overschrijding vrij te laten vermogen
Appellante ontving sinds januari 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit een heronderzoek bleek dat zij een bedrag van €50.000 op een spaarrekening had ontvangen op basis van een geldleningsovereenkomst met de bewindvoerder van haar moeder, waarvan zij het college niet had geïnformeerd.
Het college trok de bijstand per 16 juni 2010 in omdat het vermogen van appellante het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande van €5.480 overschreed. Tevens werd een terugvordering van gemaakte bijstandkosten ingesteld. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het bedrag een schuld betrof en geen vermogen, omdat er een geldleningsovereenkomst was met een jaarlijkse renteverplichting en zonder toestemming tot schenking. De Raad oordeelde echter dat de overeenkomst geen daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling van de hoofdsom bevatte, waardoor het bedrag als vermogen moest worden aangemerkt.
De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen en wijst het verzoek om schadevergoeding af.