ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7993
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling referteperiode en dagloonvaststelling bij IVA-uitkering na WGA-uitkering
Appellant viel uit wegens ernstige visusklachten en ontving een WGA-uitkering. Na omscholing en re-integratie in een beter betaalde functie viel appellant opnieuw uit en kreeg het UWV een IVA-uitkering toegekend, gebaseerd op het eerder vastgestelde WIA-maandloon en dagloon.
Appellant stelde dat de IVA-uitkering moest worden gebaseerd op het loon uit zijn laatste functie en dat de referteperiode voor het dagloon moest liggen in het jaar voorafgaand aan zijn definitieve uitval. De rechtbank vernietigde het bezwaar tegen het UWV-besluit wegens onzorgvuldige motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep betwist appellant dat zijn volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekte als bij de WGA-uitkering. Het UWV verdedigde de eenmalige dagloonvaststelling volgens artikel 13 WIA Pro.
De Raad oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen geen dubbele uitkeringsrechten toe te staan en dat de uitleg van de rechtbank over meerdere referteperioden niet kan worden gevolgd. De garantieregeling voor WGA-vervolguitkeringen is niet van toepassing op appellant. Er is geen wettelijke grond voor hernieuwde dagloonvaststelling.
De Raad bevestigde dat het UWV de juiste referteperiode heeft gehanteerd en het dagloon correct heeft vastgesteld op € 64,80 per dag. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de referteperiode en het dagloon heeft vastgesteld voor de IVA-uitkering.