ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeend woningbezit in Marokko
Appellante en haar ex-echtgenoot ontvingen bijstand op grond van de WWB. Het college stelde een onderzoek in naar het vermeende bezit van een woning in Marokko door de ex-echtgenoot, wat invloed zou hebben op het recht op bijstand. Op basis van verklaringen van een lokale Moquaddem en een taxatierapport trok het college de bijstand in en vorderde het de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende zijn om het woningbezit en de schending van de inlichtingenverplichting aannemelijk te maken. De verklaring van slechts één niet nader genoemde Moquaddem, het ontbreken van inschrijving in het Marokkaanse kadaster en twijfel over de taxatie zijn onvoldoende bewijs.
Appellante ontkende de schending en stelde dat zij melding maakte zodra zij van het vermeende bezit hoorde. De Raad vernietigt het bestreden besluit en het eerdere besluit van het college en veroordeelt het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd.