Eisers ontvingen sinds april 2023 algemene en bijzondere bijstand. Het college ontdekte dat zij mogelijk onroerend goed en een auto in Syrië bezaten, wat zij niet hadden gemeld. Na een rechtmatigheidsonderzoek en een gesprek op 21 december 2023 verklaarden eisers dat zij een woning en auto in Syrië bezaten, maar ontkenden later het eigendom van de woning.
Het college trok daarop de bijstand in en vorderde deze terug wegens schending van de inlichtingenplicht. Eisers voerden aan dat het huis een familiehuis was en dat zij geen eigenaar waren. Ook betwistten zij de waarde van de auto. De rechtbank stelde vast dat de verklaring van 21 december 2023 rechtsgeldig was en dat eisers onvoldoende bewijs hadden geleverd om het bezit van de woning te ontkennen.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht uitging van de verklaring en dat eisers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht op bijstand hadden als zij wel aan de inlichtingenplicht hadden voldaan. De intrekking en terugvordering waren daarom terecht. Het beroep van eisers werd ongegrond verklaard.