ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende feitelijke grondslag
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en huurde een woning met haar kinderen. Het college stelde na meldingen een onderzoek in naar haar feitelijke woonsituatie en concludeerde dat zij niet op het opgegeven adres woonde, waarop het de bijstand introk en terugvordering instelde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had voor de intrekking over de periode van 5 februari 2007 tot 13 mei 2008. De Raad stelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante niet op het opgegeven adres woonde en dat zij haar inlichtingenverplichting had geschonden voor de periode van 13 mei 2008 tot 31 maart 2009.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor het eerste deel van de periode en herroept het eerdere besluit van 16 december 2009. Het college moet een nieuw besluit nemen over de terugvordering voor de latere periode. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is vernietigd voor de periode tot 13 mei 2008 en het college moet een nieuw besluit nemen over de terugvordering daarna.