ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8993
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-uitkering na beëindiging therapie en onvoldoende medische beperkingen
Appellante was werkzaam als intercedente en viel uit wegens spanningsklachten. Na een periode van arbeidsongeschiktheid ontving zij een WGA-uitkering. Na medisch heronderzoek en beëindiging van haar dagbehandeling stelde het UWV dat zij geschikt was voor haar maatmanfunctie en trok de uitkering in.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar medische situatie onvoldoende was onderzocht, met name dat het protocol CVS niet was gevolgd en dat er geen recente informatie van behandelaars was betrokken. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de medische beperkingen correct waren vastgesteld.
In hoger beroep bevestigde de Raad het oordeel van de rechtbank. De bezwaarverzekeringsarts had de medische situatie herbeoordeeld, inclusief toetsing aan het verzekeringsgeneeskundig protocol CVS, en concludeerde dat er geen objectieve medische gronden waren voor verdere beperkingen. Ook werd de onpartijdigheid van de arts niet in twijfel getrokken.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de intrekking van de WGA-uitkering. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WGA-uitkering wegens het ontbreken van objectieve medische beperkingen.