ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep herroept weigering WW-uitkering wegens ontbreken dringende reden ontslag
Betrokkene was sinds 1995 in dienst van een bedrijf dat in 2008 werd overgenomen, waarna hij ook in dienst trad bij de nieuwe werkgever. Op 20 oktober 2009 werd hij op staande voet ontslagen wegens vermeende verduistering en het verstrekken van bedrijfsinformatie aan de oude werkgever. Het UWV weigerde daarop zijn WW-uitkering op grond van artikel 24 WW Pro.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van het UWV, omdat het UWV onvoldoende eigen onderzoek had gedaan en te veel vertrouwde op de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat de feiten niet volledig en overtuigend zijn vastgesteld, mede door de complexe verhouding tussen de oude en nieuwe werkgever.
De Raad benadrukt dat de ontbindingsprocedure gericht is op snelheid en beperkte bewijsvoering, waardoor het UWV niet zonder meer mag afgaan op de kantonrechterlijke beslissing. Verder is vastgesteld dat betrokkene werkzaamheden voor beide werkgevers verrichtte binnen een onduidelijke financiële en organisatorische context, zonder dat dit een dringende reden voor ontslag opleverde.
De Raad beveelt het UWV aan binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de hoogte en duur van de WW-uitkering opnieuw moeten worden vastgesteld, met als eerste werkloosheidsdag 20 oktober 2009.
Uitkomst: Het UWV moet een nieuw besluit nemen en de WW-uitkering toekennen omdat geen dringende reden voor ontslag is vastgesteld.