ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan weken-eis per 1 oktober 2010
Appellant heeft op 22 april 2010 een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering die per 1 april 2010 werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Op 20 oktober 2010 werd opnieuw een aanvraag ingediend, die het UWV op 8 november 2010 afwees omdat appellant nog werkzaam was bij zijn werkgever. Na bezwaar heeft het UWV het besluit herzien en aangenomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2010 was beëindigd, waarna werd beoordeeld of appellant aan de weken-eis voldeed.
De weken-eis houdt in dat in de 36 weken voorafgaand aan de werkloosheid minimaal 26 weken als werknemer arbeid moet zijn verricht. Het UWV en de rechtbank stelden vast dat de weken vóór 1 april 2010 niet meetellen, omdat die reeds waren betrokken bij de eerdere aanvraag. Ook was in april 2010 geen arbeid verricht, ondanks een betaling door de broer van appellant.
Appellant voerde aan dat er sprake was van een doorlopende arbeidsovereenkomst met zijn broer, waardoor de weken vóór 1 april 2010 mee zouden moeten tellen. De Raad oordeelde echter dat de arbeidsovereenkomst in april 2010 was onderbroken en dat de betaling geen bewijs van arbeid was. Hierdoor voldeed appellant slechts aan 22 gewerkte weken, onvoldoende voor een WW-uitkering per 1 oktober 2010.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering per 1 oktober 2010 wegens niet voldoen aan de weken-eis.