ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9642
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding werkzaamheden als snorder
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoeken van de politie en de sociale recherche bleek dat appellant onbetaalde werkzaamheden als snorder verrichtte, wat hij niet had gemeld. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok daarom de bijstand over de maanden mei 2009 en februari 2010 in en vorderde de reeds verleende bijstand terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Hij ontkende de werkzaamheden als snorder en stelde dat de processen-verbaal van de politie geen bewijs konden vormen zolang er geen onherroepelijk strafvonnis was. Ook voerde hij aan dat het college vanwege zijn precaire financiële situatie van terugvordering had moeten afzien.
De Raad oordeelde dat de processen-verbaal voldoende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel dat appellant werkzaamheden als snorder heeft verricht en inkomsten heeft ontvangen. In een bestuursrechtelijke procedure gelden andere bewijsregels dan in strafzaken, waardoor het ontbreken van een onherroepelijk strafvonnis niet aan de bewijswaarde afdoet. Ook was er geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van werkzaamheden als snorder wordt bevestigd.