ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9708
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding vanaf 2003
Appellant en betrokkene kregen een kind samen en betrokkene ontving bijstand als alleenstaande ouder. Het college stelde appellant hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van bijstand vanaf 1 januari 1998 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met betrokkene. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de verklaringen en onderzoeksresultaten onvoldoende zijn om het belastende besluit tot terugvordering vanaf 1 maart 1998 te baseren. De verklaringen van betrokkene en getuigen zijn summier en onduidelijk over de periode vóór 7 mei 2003. Vanaf die datum is echter voldoende bewijs dat appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, onder meer door post- en bankzaken.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor het terugvorderen vanaf 1998, maar bevestigt de terugvordering vanaf 7 mei 2003 tot 31 oktober 2009. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met deze uitgangspunten. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand vanaf 1 maart 1998 wordt vernietigd, maar terugvordering vanaf 7 mei 2003 wordt bevestigd.