ECLI:NL:CRVB:2013:CA0545
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.F. Bandringa
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstand aan minderjarige dochter na detentie vader
Appellant en appellante 1, ouders van een minderjarige dochter (appellante 2), vroegen namens haar bijstand aan over een periode waarin de vader gedetineerd was en zelf bijstand ontving. Het college had de bijstand aan de vader ingetrokken wegens detentie en de kosten van bijstand teruggevorderd. De aanvraag voor bijstand namens de dochter werd afgewezen, omdat geen bijzondere omstandigheden bestonden om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van de ouders op persoonlijke titel niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang en wees het beroep van de dochter ongegrond. De Raad bevestigt deze uitspraak. De vader had zijn detentie onverwijld moeten melden, waardoor bijstandsverlening tijdig had kunnen worden stopgezet en de dochter direct bijstand had kunnen aanvragen.
Verder is niet aannemelijk gemaakt dat in de periode in geding niet in de essentiële kosten van de dochter werd voorzien. De terugvordering van bijstand aan de vader laat onverlet dat de uitkering in die periode voldoende was om in de kosten van levensonderhoud van de dochter te voorzien. Het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind wordt niet behandeld omdat dit betrekking heeft op een latere periode.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van bijstand aan de minderjarige dochter bevestigd.