ECLI:NL:CRVB:2013:CA0754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WWIK-uitkering wegens niet voldoen aan progressie-eis ondanks betwisting beroepskosten
Appellant ontving sinds juni 2008 een WWIK-uitkering. Bij het bereiken van de vijfentwintigste uitkeringsmaand beoordeelde het college of appellant voldeed aan de progressie-eis van minimaal €4.400 bruto inkomen uit arbeid in de referteperiode van juni 2009 tot mei 2010. Het college stelde vast dat appellant een bruto-inkomen van €7.790 had, waartegen beroepskosten van €3.480 werden afgetrokken, resulterend in €4.310, net onder de norm. Appellant had eerder al een ontheffing gekregen, waardoor deze niet opnieuw kon worden verleend.
Appellant betwistte dat het productiebudget van €2.500 niet werd meegerekend en voerde aan dat de jaarrekening over 2009 geen representatief beeld gaf van de beroepskosten. De Raad stelde vast dat het productiebudget wel degelijk tot de omzet behoort, waardoor de omzet op €10.290 komt. Echter, na aftrek van vaste en variabele beroepskosten, berekend op basis van de jaarrekening, resteerde slechts €1.531,10, ruim onder de norm.
Het college mocht de door appellant opgegeven beroepskosten van €3.400 over de tweede helft van 2009 en €80 over de eerste helft van 2010 niet als reëel beschouwen vanwege de grote discrepantie met de jaarrekening. Appellant kon dit niet objectief onderbouwen. De Raad oordeelde dat het college verplicht was de uitkering te beëindigen en dat het beroep van appellant op buitenproportionaliteit niet slaagde. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WWIK-uitkering wegens het niet voldoen aan de progressie-eis.