12/2519 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 maart 2012, 09/5629 en 09/6509 (aangevallen uitspraak)
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 28 mei 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. drs. P. van Wegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2013. Appellante is, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 7 april 2009 heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de kosten van het reizen naar het CVS-centrum in Amsterdam afgewezen. Bij besluit van 3 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2009 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag een sociaal medisch advies van de GGD-arts M. Vuijk (GGD-arts) van 26 maart 2009. Uit het advies blijkt dat appellante aan deze arts heeft verteld dat zij onder medische behandeling staat bij het CVS-centrum in Amsterdam en dat zij van deze behandeling een meerwaarde ervaart boven behandeling elders. De GGD-arts heeft deze meerwaarde op basis van het spreekuurcontact en de voorhanden zijnde gegevens, medisch gezien, niet kunnen vaststellen. Het college heeft toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van het reizen naar het CVS-centrum in Amsterdam niet noodzakelijk geacht in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.
1.2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In beroep heeft het college een nader sociaal medisch advies van de GGD-arts, gedateerd 19 oktober 2009, overgelegd.
1.2.1. De rechtbank heeft opdracht gegeven voor een deskundigenonderzoek. Voor zover in dit geding van belang, is aan de deskundige de volgende vraag voorgelegd (appellante is daarbij aangeduid als eiseres):
“Moet aan de vertrouwensband die eiseres ervaart met haar behandelaar(s) in het CVS in Amsterdam, afgezet tegen de behandeling van haar klachten in de woonomgeving van eiseres, zodanige betekenis worden toegekend dat gesproken zou kunnen worden van een medische noodzaak?”
1.2.2. De deskundige heeft op deze vraag geantwoord, samengevat, dat als het begrip medische noodzaak in deze zaak formeel wordt gedefinieerd in de zin dat op geen andere plek vergelijkbare medisch-technische zorg voorhanden was, dan het antwoord negatief is. Als het begrip medische noodzaak ruimer wordt gedefinieerd in de zin van noodzakelijk voor verbetering van de kwaliteit van leven, waarbij ook psychologische aspecten een rol spelen, dan is het antwoord op de vraag positief. Appellante ervaart de vertrouwensband met haar behandelaar in het CVS-centrum als medisch-noodzakelijk voor de verbetering van haar kwaliteit van leven en deze ervaring is plausibel op grond van haar specifieke omstandigheden en de wetenschappelijke litteratuur.
1.2.3. De GGD-arts L.K. Liem heeft op het deskundigenrapport gereageerd bij zijn sociaal medisch advies van 22 november 2011. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat de medische noodzaak voor behandeling van appellante in Amsterdam onvoldoende is onderbouwd en dat niet duidelijk is waarom een behandeling in de woonomgeving van appellante niet mogelijk zou zijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover in dit geding van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het het college vrijstond, gelet op het advies van de deskundige, de medische noodzaak beperkt te benaderen, waarvoor beslissend is dat het hier om bijzondere bijstand gaat waarbij een terughoudende houding ten aanzien van verzoeken als hier aan de orde gerechtvaardigd is. De conclusie van de rechtbank is dat de door appellante genoemde vertrouwensband met haar behandelaar in Amsterdam onvoldoende is voor het oordeel dat sprake is van een dusdanig geobjectiveerde noodzaak dat de vervoerskosten van appellante vergoed moeten worden.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, in het bijzonder tegen de onder 2 weergegeven overwegingen. Zij is van mening dat de rechtbank ten onrechte een beperkte benadering en een terughoudende houding gerechtvaardigd acht, als gevolg waarvan haar beroep - eveneens ten onrechte - als ongegrond is afgedaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand, voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.3. Tussen partijen is in geschil of de reiskosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd noodzakelijk zijn. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college opgemerkt dat de noodzaak van de medische behandeling als zodanig niet wordt betwist.
4.4. Appellante komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college de noodzaak van de reiskosten beperkt mocht benaderen en dat ten aanzien van een aanvraag als hier aan de orde een terughoudende houding gerechtvaardigd is. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 28 juli 2009, LJN BJ4436) heeft een bestuursorgaan bij de beantwoording van de vraag of aan de voorwaarden voor verlening van bijzondere bijstand is voldaan, uitsluitend ten aanzien van de draagkracht beoordelingsvrijheid. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan komt het bevoegde bestuursorgaan, gelet op de tekst van artikel 35, eerste lid, van de WWB, geen beoordelingsvrijheid toe. Voor de door rechtbank omschreven beperkte benadering en terughoudende houding ten aanzien van een verzoek om bijzondere bijstand is dan ook geen plaats. Dat geldt niet alleen voor de beoordeling van een dergelijk verzoek door het college. Voor de bestuursrechter geldt volgens dezelfde vaste rechtspraak dat deze zich over de vraag of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd noodzakelijk zijn ten volle een eigen oordeel dient te vormen.
4.5. Wat in 4.4 is overwogen, hoeft op zichzelf niet te leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft ook beoordeeld of de voor appellante zwaarwegende vertrouwensband met haar behandelaar in Amsterdam leidt tot het aannemen van een geobjectiveerde medische noodzaak voor de vervoerskosten. De Raad zal bezien of de rechtbank, evenals het college, terecht tot de conclusie is gekomen dat dit niet het geval is. Daarbij kan het standpunt van appellante zo worden begrepen, gelet op het beroepschrift in eerste aanleg, dat het haar niet alleen gaat om de vertrouwensband met de eerstverantwoordelijke behandelaar, dr. R.C.W. Vermeulen, maar ook om de hele setting van het CVS-centrum waar vanuit verschillende daar aanwezige medische disciplines naar (de oorzaak van) haar ziekte wordt gekeken.
4.6. De vraag of sprake is van noodzakelijke kosten kan niet zonder meer worden beantwoord aan de hand van het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, met name niet omdat dit oordeel niet eenduidig is.
4.7. Het oordeel van de GGD-artsen is, samengevat, dat door appellante onvoldoende is onderbouwd dat behandeling door het CVS-centrum voor appellante medisch noodzakelijk is. Met name in het advies van 19 oktober 2009 heeft de betrokken GGD-arts dat oordeel uitgebreid toegelicht en onderbouwd. Deze arts heeft daarbij in de eerste plaats opgemerkt dat het voor appellante medisch gezien mogelijk is haar klachten elders (in haar eigen omgeving) te laten behandelen, door artsen die met elkaar samenwerken en/of door middel van verwijsbrieven en mondeling overleg met elkaar communiceren. Deze GGD-arts ziet in de behandeling van appellante in de setting van het CVS-centrum in objectief medisch opzicht geen meerwaarde. De deskundige onderschrijft het oordeel van de GGD-artsen in zoverre, dat in medisch-technische zin de behandeling van de klachten van appellante ook door andere artsen kan worden verricht. Appellante heeft daartegenover onvoldoende gesteld. In de brief van dr. Vermeulen van 3 april 2008 wordt weliswaar opgemerkt dat appellante is aangewezen op hulp van medisch specialisten buiten haar woonplaats, maar noch uit de in die brief vervatte gegevens die zijn verkregen uit de anamnese noch anderszins blijkt waarom dat zo is en waarom appellante niet bij medisch specialisten elders, bijvoorbeeld in de eigen woonomgeving, terecht zou kunnen voor de behandeling van haar klachten. Met betrekking tot de vertrouwensband heeft de GGD-arts in haar advies van 19 oktober 2009 naar het oordeel van de Raad terecht in aanmerking genomen dat het hier gaat om iets wat secundair is aan de primaire behandeling en iets waar niet alleen dr. Vermeulen toe in staat is, waarbij is aangetekend dat appellante voor haar psychische problematiek een psycholoog bezoekt. Dat appellante de vertrouwensband met haar behandelaar(s) in het CVS-centrum als noodzakelijk ervaart voor de verbetering van haar kwaliteit van leven en dat de deskundige deze ervaring plausibel acht, levert ook naar het oordeel van de Raad niet de vereiste objectieve onderbouwing op om aan te nemen dat uitsluitend behandeling van de medische klachten in het CVS-centrum voor appellante is aangewezen. De rechtbank is dus wel terecht tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een voldoende geobjectiveerde medische noodzaak voor de vervoerskosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd.
4.8. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de reiskosten naar het CVS-centrum te Amsterdam terecht, op basis van de adviezen van de door hem ingeschakelde adviseur, afgewezen.
4.9. Uit 4.4 tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt, zij het met verbetering van de gronden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2013.