ECLI:NL:CRVB:2013:CA1518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken procesbelang bij verlaging bijstand
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf 14 december 2007. Het college verlaagde deze bijstand met terugwerkende kracht over de periode 1 oktober 2008 tot en met 30 november 2008 met 5%, en verklaarde het bezwaar tegen deze verlaging ongegrond. Later bleek dat appellant vanaf 2 oktober 2007 een WW-uitkering ontving die hoger was dan de bijstandsnorm, waardoor hij geen recht had op bijstand vanaf 14 december 2007. Het college beëindigde daarop de bijstand en vorderde terugbetaling van de kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Appellant stelde dat er wel procesbelang was omdat de verlaging nog een rol kon spelen bij toekomstige verlagingen vanwege een recidivebepaling in de gemeentelijke verordening.
De Raad overwoog dat procesbelang vereist dat het nastreven van het resultaat ook daadwerkelijk bereikt kan worden en betekenis heeft voor appellant. Omdat appellant geen recht had op bijstand in de periode waarop de verlaging betrekking had, kon de verlaging geen effect hebben. Ook de recidivebepaling was niet relevant omdat de verlaging geen grondslag had. Een principieel belang was onvoldoende. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.