ECLI:NL:CRVB:2013:CA1948
Centrale Raad van Beroep
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wrakingsverzoeken en appelverbod bij bestuursrechtelijke procedures
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen twee beslissingen van de rechtbank Rotterdam waarin verzoeken om wraking van een rechter zijn afgewezen respectievelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank oordeelde dat het eerste wrakingsverzoek onvoldoende gronden bevatte en dat het tweede verzoek misbruik van procesrecht betrof, omdat het in wezen een herhaling was van het eerste verzoek zonder nieuwe feiten.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb in principe geen hoger beroep openstaat tegen wrakingsbeslissingen, tenzij sprake is van een ernstige schending van de eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen. De Raad concludeert dat in dit geval geen dergelijke ernstige schending is vastgesteld. De motivering van de rechtbank is voldoende en het appelverbod wordt niet doorbroken.
De Raad bevestigt dat het oordeel van de rechtbank dat het tweede wrakingsverzoek misbruik van procesrecht is, binnen het toepassingsbereik van de Awb valt. Er is geen reden om het appelverbod te doorbreken. De Raad verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van de hoger beroepen en wijst deze af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen wrakingsbeslissingen en wijst deze af.